home









logo

VERENIGDE NATIES

STANDAARDREGELS BETREFFENDE HET BIEDEN
VAN GELIJKE KANSEN VOOR GEHANDICAPTEN


RESOLUTIE 48/96

4 MAART 1994




RESOLUTIE VAN DE ALGEMENE VERGADERING




Standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten



De Algemene Vergadering,

         Herinnerend aan resolutie 1990/26 van 24 mei 1990 van de Economische en Sociale Raad, waarin de Raad de Commissie voor Sociale Ontwikkeling heeft gemachtigd om zich op haar 32e zitting te buigen over de instelling van een werkgroep ad hoc van regeringsdeskundigen zonder vastomlijnde taakstelling, gefinancierd uit vrijwillige bijdragen, om standaardregels op te stellen betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapte kinderen, jongeren en volwassenen, in nauwe samenwerking met de gespecialiseerde organisaties, andere intergouvernementele instellingen en niet-gouvernementele organisaties, met name gehandicaptenorganisaties, en waarin de Raad de Commissie heeft verzocht, mocht zij overgaan tot de instelling van zo'n werkgroep, de tekst van de regels te finaliseren met het oog op behandeling in de Raad in 1993 en indiening bij de Algemene Vergadering op haar 48e zitting,

         Tevens herinnerend aan het feit dat de Commissie voor Sociale Ontwikkeling in haar resolutie 32/2 van 20 februari 1991 1 heeft besloten tot de instelling van een werkgroep ad hoc van regeringsdeskundigen zonder vastomlijnde taakstelling, in overeenstemming met resolutie 1990/26 van de Economische en Sociale Raad,

         Met waardering kennis nemend van de deelneming van vele staten, gespecialiseerde organisaties, intergouvernementele instellingen en niet-gouvernementele organisaties, in het bijzonder gehandicaptenorganisaties, aan de beraadslagingen van de werkgroep,

         Tevens met waardering kennis nemend van de royale financiŽle bijdragen van de lidstaten aan de werkgroep,

         Verheugd over het feit dat de werkgroep in staat was haar taak te verrichten binnen drie zittingen van elk vijf werkdagen,

         Met waardering in ontvangst nemend het rapport van de werkgroep ad hoc van regeringsdeskundigen tot opstelling van standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten 2.

         Nota nemend van de bespreking in de Commissie voor Sociale Ontwikkeling, tijdens haar 33e zitting 3, van de in het rapport van de werkgroep vervatte concept-standaardregels,
         1.        Neemt de in de bijlage bij deze resolutie vervatte standaard regels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten aan;

         2.        Verzoekt de lidstaten de regels toe te passen bij het ontwikkelen van het nationale gehandicaptenbeleid;

         3.        Dringt er bij de lidstaten op aan gevolg te geven aan de verzoeken van de bijzondere rapporteur 4 om informatie over de uitvoering van de regels;

         4.        Verzoekt de Secretaris-Generaal de uitvoering van de regels te bevorderen en daarover verslag uit te brengen aan de Algemene Vergadering op haar 50e zitting;

         5.        Dringt er bij de lidstaten op aan de uitvoering van de regels te steunen, financieel of anderszins.


85e plenaire vergadering
20 december 1993







Standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten



INLEIDING

Achtergrond en huidige behoeften

Eerdere internationale actie

Aanzet tot standaardregels

Doel en inhoud van de standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten

Basisbegrippen in het gehandicaptenbeleid



PREAMBULE

I.         VOORWAARDEN VOOR GELIJKWAARDIGE DEELNEMING

Regel 1.

Bewustmaking

Regel 2.

Gezondheidszorg

Regel 3.

Revalidatie

Regel 4.

Ondersteunende diensten



II.        SPEERPUNTEN VOOR GELIJKWAARDIGE DEELNEMING

Regel 5.

Toegankelijkheid

Regel 6.

Onderwijs

Regel 7.

Werkgelegenheid

Regel 8.

Behoud van inkomsten en sociale zekerheid

Regel 9.

Gezinsleven en lichamelijke integriteit

Regel 10.

Cultuur

Regel 11.

Recreatie en sport

Regel 12.

Godsdienst



III.        UITVOERINGSMAATREGELEN

Regel 13.

Informatie en onderzoek

Regel 14.

Beleidsvorming en planning

Regel 15.

Wetgeving

Regel 16.

Economisch beleid

Regel 17.

CoŲrdinatie van werkzaamheden

Regel 18.

Gehandicaptenorganisaties

Regel 19.

Opleiding van personeel

Regel 20.

Nationaal toezicht op en evaluatie van programma's voor gehandicapten in het kader van de uitvoering van de standaardregels

Regel 21.

Technische en economische samenwerking

Regel 22.

Internationale samenwerking



IV.       TOETSINGSMECHANISME




INLEIDING



Achtergrond en huidige behoeften
[Terug naar inhoud]

1.     Gehandicapten komen overal ter wereld en in alle lagen van elke samenleving voor. Het aantal gehandicapten op de wereld is groot en neemt toe.

2.     Zowel de oorzaken als de gevolgen van het gehandicapt-zijn lopen van land tot land uiteen. Deze verschillen vloeien voort uit de uiteenlopende sociaal-economische omstandigheden en de voorzieningen die de staten treffen voor het welzijn van hun burgers.

3.      Het huidige gehandicaptenbeleid is het resultaat van de ontwikkelingen in de afgelopen 200 jaar. Het is in vele opzichten de weerslag van de algemene levensomstandigheden en het sociaal en economisch beleid in de loop der tijden. Er zijn echter ook veel specifieke omstandigheden die de levensomstandigheden van gehandicapten hebben beÔnvloed. Onwetendheid, onachtzaamheid, bijgeloof en angst zijn sociale factoren die door de eeuwen heen gehandicapten in een isolement hebben geplaatst en hun ontwikkeling hebben vertraagd.

4.     Het gehandicaptenbeleid is geleidelijk verlegd van elementaire zorg in inrichtingen naar onderwijs voor gehandicapte kinderen en revalidatie voor personen die als volwassenen gehandicapt zijn geworden. Dankzij onderwijs en revalidatie zijn gehandicapten actiever geworden en zijn zij een stuwende kracht geworden achter de verdere ontwikkeling van het gehandicaptenbeleid. Er zijn organisaties van gehandicapten en hun familieleden en belangenorganisaties opgericht, die zich hebben ingezet voor verbetering van de omstandigheden van gehandicapten. Na de Tweede Wereldoorlog vonden de begrippen integratie en normalisatie ingang, die getuigen van een groeiend besef van wat gehandicapten kunnen.

5.     Tegen het einde van de jaren zestig begonnen gehandicaptenorganisaties in sommige landen gestalte te geven aan nieuwe opvattingen over gehandicapt-zijn. Deze nieuwe opvattingen duidden op het nauwe verband tussen de beperkingen die gehandicapten ondervinden, de inrichting van hun omgeving en de houding van het publiek in het algemeen. Tegelijkertijd werd steeds meer het accent gelegd op de problemen van gehandicapten in ontwikkelingslanden. In sommige ontwikkelingslanden was het percentage gehandicapten volgens schatting zeer hoog en waren gehandicapten meestal zeer arm.


Eerdere internationale actie
[Terug naar inhoud]

6.     Aan de rechten van gehandicapten wordt reeds geruime tijd aandacht besteed in het kader van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties. Het belangrijkste resultaat van het Internationale Jaar van de Gehandicapten (1981) was het Wereldactieprograrnma voor Gehandicapten 5, aangenomen door de Algemene Vergadering bij resolutie 37/52 van 3 december 1982. Het Internationale Jaar en het Wereldactieprogramma waren een krachtige impuls voor vooruitgang in de praktijk. In beide gevallen werd er de nadruk op gelegd dat gehandicapten recht hebben op dezelfde kansen als andere burgers en op een gelijk aandeel in de verbetering van de levensomstandigheden ten gevolge van de economische en sociale ontwikkeling. In dat kader werd een handicap voor het eerst gedefinieerd als uitvloeisel van de verhouding van gehandicapten tot hun omgeving.

7.     Halverwege het VN-Decennium voor Gehandicapten vond in 1987 te Stockholm de mondiale bijeenkomst van deskundigen ter toetsing van de uitvoering van het Wereldactieprogramma voor Gehandicapten plaats. Tijdens die bijeenkomst werd voorgesteld een leidraad op te stellen, waarin prioriteiten voor de in de komende jaren te nemen maatregelen zouden worden gesteld. De erkenning van de rechten van gehandicapten zou het uitgangspunt van die leidraad moeten zijn.

8.     De Algemene Vergadering werd dan ook aanbevolen een speciale conferentie te beleggen om een internationaal verdrag op te stellen inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van gehandicapten, dat aan het einde van het Decennium door alle staten zou moeten zijn geratificeerd.

9.     Er werd een concept voor het verdrag opgesteld door ItaliŽ, dat bij de Algemene Vergadering werd ingediend tijdens haar 42e zitting. Op de 44e zitting van de Algemene Vergadering werden nadere voorstellen voor een ontwerp-verdrag ingediend door Zweden. Bij beide gelegenheden kon echter geen consensus worden bereikt over de zin van zo'n verdrag. Naar de mening van veel vertegenwoordigers zouden bestaande documenten op het gebied van de mensenrechten gehandicapten dezelfde rechten garanderen als anderen.


Aanzet tot standaardregels
[Terug naar inhoud]

10.      Geleid door de beraadslagingen in de Algemene Vergadering, stemde de Economische en Sociale Raad op zijn eerste gewone zitting van 1990 er uiteindelijk mee in zich te concentreren op een ander soort internationaal instrument. Bij resolutie 1990/26 van 24 mei 1990 machtigde de Raad de Commissie voor Sociale Ontwikkeling om zich op haar 32e zitting te buigen over de instelling van een werkgroep ad hoc van regeringsdeskundigen zonder vastomlijnde taakstelling, gefinancierd uit vrijwillige bijdragen, om standaard regels op te stellen betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapte kinderen, jongeren en volwassenen, in nauwe samenwerking met de gespecialiseerde organisaties, andere intergouvernementele instellingen en niet-gouvernementele organisaties, in het bijzonder gehandicaptenorganisaties. De Raad verzocht de Commissie tevens de tekst van de regels te finaliseren met het oog op behandeling in de Raad in 1993 en indiening bij de Algemene Vergadering op haar 48e zitting,

11.     Tijdens de daarop volgende besprekingen in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering gedurende de 45e zitting bleek dat er brede steun bestond voor het nieuwe initiatief om te komen tot standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten.

12.     Op de 32e zitting van de Commissie voor Sociale Ontwikkeling kreeg het initiatief voor de standaardregels de steun van een groot aantal vertegenwoordigers en de besprekingen leidden tot de aanneming van resolutie 32/2 van 20 februari 1991, waarin de Commissie besloot een werkgroep ad hoc van regeringsdeskundigen zonder vastomlijnde taakstelling in te stellen, in overeenstemming met resolutie 1990/26 van de Economische en Sociale Raad.


Doel en inhoud van de standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten
[Terug naar inleiding]

13.     De standaard regels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten zijn tot stand gekomen op grond van de ervaring die is opgedaan gedurende het VN-Decenniurn voor Gehandicapten (1983-1992) 6, De Universele Verklaring van de rechten van de mens 7, het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten 8, en het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten8, het Verdrag inzake de rechten van het kind 9 en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen 10, alsmede het Wereldactieprogramma voor Gehandicapten vormen de politieke en morele grondslag voor de standaardregels.

14.     Hoewel de standaardregels niet dwingend zijn, kunnen zij internationaal gewoonterecht worden wanneer zij door een groot aantal staten worden toegepast in het streven een internationaalrechtelijke regeling na te leven. Van de staten wordt verwacht dat zij zich er politiek en moreel toe verplichten actie te ondernemen om gelijke kansen te bieden voor gehandicapten. Er worden belangrijke beginselen inzake verantwoordelijkheid, optreden en samenwerking aangegeven en terreinen genoemd die van wezenlijk belang zijn voor de kwaliteit van het leven en het bewerkstelligen van gelijkwaardige deelneming en gelijkheid. De standaardregels kunnen als beleidsinstrument en actieplan dienen voor gehandicapten en hun belangenorganisaties. Zij bieden een uitgangspunt voor technische en economische samenwerking tussen staten, de Verenigde Naties en andere internationale organisaties.

15.     De standaard regels hebben tot doel ervoor te zorgen dat gehandicapte jongens, meisjes, mannen en vrouwen, als leden van de samenleving, dezelfde rechten en plichten hebben als anderen. In alle samenlevingen op de wereld zijn er nog barriŤres die gehandicapten beletten hun rechten en vrijheden uit te oefenen en die hun volwaardige deelneming aan de activiteiten in de samenleving bemoeilijken. Het is de verantwoordelijkheid van staten om passende stappen te ondernemen om die barriŤres weg te nemen. Gehandicapten en gehandicaptenorganisaties dienen daarbij een actieve rol te spelen als partners. Het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten is een wezenlijke bijdrage aan de algemene en wereldwijde inspanningen om de menselijke gaven volledig te benutten. Het kan noodzakelijk zijn daarbij bijzondere aandacht te schenken aan bepaalde groepen, zoals vrouwen, kinderen, ouderen, armen, buitenlandse werknemers, dubbel of meervoudig gehandicapten, inheemse volken en etnische minderheden. Daarnaast is er een groot aantal gehandicapte vluchtelingen met bijzondere behoeften die aandacht verdienen.


Basisbegrippen in het gehandicaptenbeleid
[Terug naar inhoud]

16.     De hieronder omschreven begrippen keren telkens terug in de standaardregels. Zij bouwen voornamelijk voort op de begrippen uit het Wereldactieprograrnma voor Gehandicapten. In sommige gevallen zijn zij de weerslag van de ontwikkeling die zich voordeed in het VN-Decennium voor Gehandicapten.


Beperking en handicap

17.     De term "beperking" is een verzamelnaam voor een groot aantal verschillende functiebeperkingen die onder de bevolking van elk land ter wereld voorkomen. Mensen kunnen gehandicapt zijn vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke stoornis, medische omstandigheden of een psychische aandoening. Deze stoornissen, omstandigheden of aandoeningen kunnen blijvend of tijdelijk zijn.

18.     Onder "handicap" wordt verstaan het verlies of de beperking van mogelijkheden om op voet van gelijkheid deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De term duidt op het contact tussen de gehandicapte en zijn omgeving. Met de term wordt beoogd de nadruk te leggen op de tekortkomingen van de omgeving en van vele georganiseerde activiteiten in de samenleving, zoals informatievoorziening, communicatie en onderwijs, die gehandicapten beletten daaraan gelijkwaardig deel te nemen.

19.     Het hanteren van de begrippen "beperking" en "handicap", zoals omschreven in de paragrafen 17 en 18, moet worden gezien in het licht van recente ontwikkelingen. In de jaren zeventig was er onder vertegenwoordigers van gehandicaptenorganisaties en personen die zich beroepsmatig met gehandicapten bezighouden sprake van een felle reactie tegen de destijds gehanteerde terminologie. De termen "beperking" en "handicap" werden vaak op onduidelijke en verwarrende wijze gebruikt, waaraan men weinig houvast had bij de beleidsvorming en politieke actie. De terminologie ging uit van een medische en diagnostische benadering, die voorbijging aan de onvolkomenheden en tekortkomingen van de omringende samenleving.

20.     In 1980 heeft de WHO een internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps aangenomen, die met een nauwkeurigere en tegelijkertijd relativerende benadering kwam. De Internationale Classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps 11 maakt een duidelijk onderscheid tussen "stoornis", "beperking" en "handicap". Deze classificatie wordt op grote schaal gebruikt op terreinen als revalidatie, onderwijs, statistiek, beleidsvorming, wetgeving, demografie, sociologie, economie en antropologie. Sommige gebruikers hebben bezorgd te kennen gegeven dat de Classificatie door haar omschrijving van de term "handicap" nog altijd als te medisch zou kunnen worden beschouwd, te zeer op de individu gericht, terwijl de wisselwerking tussen maatschappelijke omstandigheden of verwachtingen en de vaardigheden van de individu niet voldoende uit de verf zou komen. Aan deze bezorgdheid en andere bezwaren die in de loop van de 12 jaar sinds de publikatie ervan naar voren zijn gebracht, zal worden tegemoet gekomen in toekomstige herzieningen van de Classificatie.

21.     De ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van het Wereldactieprogramma en de algemene discussie die plaatsvond in het VN-Decennium voor Gehandicapten leidde tot een grondigere kennis van en meer inzicht in de gehandicaptenproblematiek en de gebruikte terminologie. De huidige terminologie erkent de noodzaak van het voorzien in individuele behoeften (zoals revalidatie en technische hulpmiddelen) en het aanpakken van de tekortkomingen van de samenleving (diverse barriŤres voor deelneming).


Preventie

22.     Onder "preventie" wordt verstaan: maatregelen die erop zijn gericht te voorkomen dat lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke stoornissen ontstaan (primaire preventie) of te voorkomen dat stoornissen leiden tot een blijvende functiebeperking of gehandicapt-zijn (secundaire preventie). Preventie kan allerlei maatregelen omvatten, zoals op het gebied van de eerstelijnsgezondheidszorg, prenatale en postnatale zorg, voedingsvoorlichting, vaccinatie tegen overdraagbare ziekten, maatregelen ter bestrijding van endemische ziekten, veiligheidsvoorschriften, programma's ter voorkoming van ongevallen in verschillende omgevingen, waaronder aanpassing van de werkplek ter voorkoming van beroepsgebonden beperkingen en aandoeningen, en het voorkomen van beperkingen ten gevolge van milieuvervuiling of gewapende conflicten.

Revalidatie

23.     Met "revalidatie" wordt het proces aangeduid waarmee wordt beoogd gehandicapten in staat te stellen het hoogst mogelijke niveau van hun lichamelijk, zintuiglijk, verstandelijk, psychisch en/of sociaal functioneren te bereiken en op peil te houden, en hun zo de instrumenten te verstrekken die hun leven veranderen in de richting van een grotere mate van zelfstandigheid. Revalidatie kan maatregelen omvatten die zijn gericht op het voorzien in en/of herstellen van functies of het compenseren van het verlies of ontbreken van een functie dan wel een functiebeperking. Het revalidatieproces impliceert geen voorafgaande medische verzorging. Revalidatie omvat een breed scala aan maatregelen en activiteiten, van meer elementaire en algemene revalidatie tot doelgerichte activiteiten, bijvoorbeeld herinschakeling in het arbeids-proces.(terug naar Regel 3)


Het bieden van gelijke kansen

24.     Onder "het bieden van gelijke kansen" wordt verstaan het proces door middel waarvan de diverse systemen in de samenleving en de omgeving, zoals diensten en activiteiten, maar ook informatie en documentatie, beschikbaar worden gesteld aan iedereen, met name gehandicapten.

25.     Het beginsel van gelijke rechten impliceert dat de behoeften van iedereen even belangrijk zijn, dat die behoeften het uitgangspunt moeten zijn voor de inrichting van de samenleving en dat alle middelen zodanig moeten worden aangewend dat iedereen gelijke kansen tot deelneming heeft.

26.     Gehandicapten zijn leden van de samenleving en hebben het recht binnen hun plaatselijke gemeenschap te blijven. Zij dienen de steun te krijgen die zij nodig hebben binnen de gewone structuren van het onderwijs, de gezondheidszorg, de arbeidsvoorziening en de sociale dienstverlening.

27.     Naarmate gehandicapten dezelfde rechten krijgen, moeten zij ook dezelfde verplichtingen hebben. Naarmate die rechten verwezenlijkt worden, mag de samenleving meer verwachten van gehandicapten. Als onderdeel van het bieden van gelijke kansen moet ervoor worden gezorgd dat gehandicapten worden geholpen om hun volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen als leden van de samenleving.




PREAMBULE

[Terug naar inhoud]

         De staten,

         Indachtig de belofte uit hoofde van het Handvest der Verenigde Naties om in samenwerking met de Organisatie gezamenlijk en afzonderlijk stappen te ondernemen om hogere levensstandaarden, volledige werkgelegenheid en voorwaarden voor economische en sociale vooruitgang en ontwikkeling te bevorderen,

         Bevestigend hun inzet voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, sociale rechtvaardigheid en de waardigheid en de waarde van de mens, zoals verkondigd in het Handvest,

         Herinnerend in het bijzonder aan de internationale normen betreffende de rechten van de mens, die zijn neergelegd in de Universele verklaring van de rechten van de mens 7, het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten 8, en het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 8,

         Onderstrepend dat die instrumenten verkondigen dat de daarin erkende rechten op gelijke wijze voor een ieder zonder onderscheid dienen te worden gewaarborgd,

         Herinnerend aan het Verdrag inzake de rechten van het kind 9, dat discriminatie van het gehandicapte kind verbiedt en bijzondere maatregelen voorschrijft om de rechten van het gehandicapte kind te waarborgen, en het Internationale Verdrag inzake de beschenning van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden l2, dat voorziet in enkele beschermende maatregelen tegen gehandicapt-zijn,

         Tevens herinnerend aan de bepalingen van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen1O ter waarborging van de rechten van gehandicapte meisjes en vrouwen,

         Gelet op de Verklaring betreffende de rechten van de gehandicapten 13, de Verklaring betreffende de rechten van geestelijk gehandicapten 14, de Verklaring inzake sociale vooruitgang en ontwikkeling 15, de Beginselen voor de bescherming van geesteszieken en voor de verbetering van de geestelijke gezondheidszorg 16, en andere relevante door de Algemene Vergadering aangenomen instrumenten,

         Tevens gelet op de desbetreffende verdragen en aanbevelingen, aangenomen door de ILO, in het bijzonder met betrekking tot deelneming aan het arbeidsproces zonder discriminatie van gehandicapten,

         Indachtig de desbetreffende aanbevelingen en werkzaamheden van de UNESCO, in het bijzonder de Wereldverklaring inzake onderwijs voor iedereen 17, de WHO, UNICEF en andere betrokken organisaties.

         Gelet op de verbintenis die de Staten zijn aangegaan met betrekking tot de bescherming van het milieu,

         Indachtig de verwoesting die wordt aangericht door gewapende conflicten en betreuren het gebruik van schaarse hulpbronnen voor de produktie van wapens,

         Erkennend dat het Wereldactieprogramma voor Gehandicapten en de daarin gegeven definitie van 'het bieden van gelijke kansen' een serieus streven van de internationale gemeenschap zijn om de diverse internationale instrumenten en aanbevelingen praktische en concrete zin te geven,

         Bevestigend dat de doelstelling van het VN-Decennium voor Gehandicapten (1983-1992) om het Wereldactieprogramrna uit te voeren, nog altijd geldt en dringend en onafgebroken optreden vergt,

         Herinnerend aan het feit dat het Wereldactieprogramma is gebaseerd op concepten die in gelijke mate zowel in ontwikkelingslanden als in geÔndustrialiseerde landen van toepassing zijn,

         Ervan overtuigd dat intensievere inspanningen nodig zijn om volledig en gelijkwaardig genot van mensenrechten en volledige en gelijkwaardige deelneming aan het maatschappelijk verkeer door gehandicapten te bewerkstelligen,

         Opnieuw de nadruk leggend op het feit dat gehandicapten, hun familieleden, verzorgers en belangenorganisaties door de staten actief moeten worden betrokken bij de planning en uitvoering van maatregelen betreffende hun burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten,

         Ter uitvoering van resolutie 1990/26 van de Economische en Sociale Raad en uitgaande van de specifieke maatregelen die vereist zijn om gehandicapten een gelijkwaardige positie te garanderen, zoals gedetailleerd uiteengezet in het Wereldactieprograrnrna,

         Hebben onderstaande standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten aangenomen, teneinde:
         (a)     te onderstrepen dat alle maatregelen met betrekking tot gehandicapten voldoende kennis van en ervaring met de omstandigheden en bijzondere behoeften van gehandicapten veronderstellen;

         (b)     de nadruk te leggen op het feit dat het voor iedereen toegankelijk maken van alle aspecten van het maatschappelijk verkeer, een hoofddoelstelling is van sociaal-economische ontwikkeling;

         (c)     wezenlijke onderdelen van het sociaal beleid met betrekking tot gehandicapten aan te geven, waaronder, indien mogelijk, het actief stimuleren van technische en economische samenwerking;

         (d)     modellen te verschaffen voor de politieke besluitvorming die nodig is om gelijke kansen te bieden, gelet op de zeer uiteenlopende technische en economische niveaus, het feit dat daarbij blijk dient te worden gegeven van inzicht in de culturele context waarin de besluitvorming plaatsvindt en de cruciale rol van gehandicapten daarin;

         (e)     nationale mechanismen voor te stellen voor nauwe samenwerking tussen staten, de organen van het stelsel van de Verenigde Naties, andere intergouvernementele instellingen en organisaties van gehandicapten;

         (f)     een doeltreffende procedure voor te stellen om toe te zien op de wijze waarop staten ernaar streven gelijke kansen voor gehandicapten te bieden.




I. VOORWAARDEN VOOR GELIJKWAARDIGE DEELNEMING




Regel 1. Bewustmaking
[Terug naar inhoud]

De staten dienen maatregelen te treffen om in de samenleving bewustzijn te kweken met betrekking tot gehandicapten, hun rechten, hun behoeften, hun mogelijkheden en hun inbreng.

1.        De staten dienen ervoor te zorgen dat de desbetreffende instanties actuele informatie verspreiden over programma's en diensten die beschikbaar zijn voor gehandicapten, hun familieleden, in de praktijk werkzame deskundigen en het publiek in het algemeen. Informatie voor gehandicapten dient op toegankelijke wijze te worden aangeboden.

2.        De staten dienen voorlichtingscampagnes betreffende gehandicapten en het gehandicaptenbeleid op te zetten en te steunen, die de boodschap uitdragen dat gehandicapten medeburgers zijn met dezelfde rechten en plichten, om aldus een draagvlak te scheppen voor maatregelen gericht op het wegnemen van alle barriŤres voor volwaardige deelneming.

3.        De staten dienen te stimuleren dat in de media een positief beeld van gehandicapten wordt geschetst; gehandicaptenorganisaties dienen te worden geraadpleegd met betrekking tot dit punt.

4.        De staten dienen ervoor te zorgen dat educatieprogramma's in alle opzichten het beginsel van volwaardige deelneming en gelijkheid weergeven.

5.        De staten dienen gehandicapten en hun familieleden en organisaties uit te nodigen om deel te nemen aan educatieprograrnma's betreffende de gehandicaptenproblematiek.

6.        De staten dienen ondernemingen in de particuliere sector aan te moedigen kwesties betreffende gehandicapten op te nemen in alle aspecten van hun bedrijvigheid.

7.        De staten dienen programma's op te zetten en te bevorderen die erop zijn gericht bij gehandicapten een groter bewustzijn van hun rechten en mogelijkheden te kweken. Grotere zelfstandigheid helpt gehandicapten de kansen te benutten die hun worden geboden.

8.        Bewustmaking dient een belangrijk onderdeel te zijn van het onderwijs aan gehandicapte kinderen en van revalidatieprogramma's. Gehandicapten zouden elkaar ook kunnen helpen bij het kweken van bewustzijn door middel van activiteiten van hun eigen organisaties.

9.        Bewustmaking dient een onderdeel te zijn van het onderwijs aan alle kinderen en dient deel uit te maken van de opleiding van leraren en de vorming van alle deskundigen.


Regel 2. Gezondheidszorg
[Terug naar inhoud]

De staten dienen te zorgen voor de verlening van een effectieve medische zorg voor gehandicapten.

1.        De staten dienen te streven naar regelingen, uitgevoerd door multidisciplinaire teams van deskundigen, gericht op het vroegtijdig opsporen, beoordelen en behandelen van stoornissen. Hierdoor zouden tot beperking leidende gevolgen kunnen worden voorkomen, ingeperkt of verholpen. Dergelijke regelingen dienen volwaardige deelneming van gehandicapten en hun familieleden op het individuele vlak te garanderen en gehandicaptenorganisaties te betrekken bij de planning en evaluatie.

2.        Plaatselijke opbouwwerkers dienen te worden opgeleid om mee te werken op terreinen als het vroegtijdig opsporen van stoornissen, het verlenen van eerstelijnszorg en het doorverwijzen naar daarvoor in aanmerking komende diensten.

3.        De staten dienen ervoor te zorgen dat gehandicapten, met name baby's en kinderen, kunnen beschikken over medische zorg op hetzelfde niveau binnen hetzelfde stelsel als andere leden van de samenleving.

4.        De staten dienen ervoor te zorgen dat alle medisch en paramedisch personeel voldoende is opgeleid en toegerust om medische zorg te verlenen aan gehandicapten en dat zij toegang hebben tot alle daarvoor in aanmerking komende behandelingsmethoden en technologie.

5.        De staten dienen ervoor te zorgen dat medisch, paramedisch en aanverwant personeel voldoende is opgeleid, zodat zij geen onjuist advies geven aan ouders, waardoor de keuze-mogelijkheden voor hun kinderen zouden kunnen worden beperkt. Dit dient te geschieden in de vorm van constante bij- en nascholing op basis van de meeste recente beschikbare informatie.

6.        De staten dienen ervoor te zorgen dat gehandicapten alle gebruikelijke behandelingen en medicijnen krijgen die zij nodig hebben om hun functioneren op peil te houden of te verbeteren.


Regel 3. Revalidatie*
[Terug naar inhoud]

De staten dienen te zorgen voor de verlening van revalidatiediensten voor gehandicapten teneinde hen in staat te stellen een zo hoog mogelijke mate van zelfstandigheid te bereiken en zo goed mogelijk te blijven functioneren.

1.        De staten dienen nationale revalidatieprogramma's te ontwikkelen voor alle soorten gehandicapten. Deze programma's dienen te zijn gebaseerd op de feitelijke individuele behoeften van gehandicapten en op de beginselen van volwaardige deelneming en gelijkheid.

2.        Deze programma's dienen een zo breed mogelijk scala van activiteiten te omvatten, zoals het aanleren van elementaire vaardigheden om een aangetaste functie te verbeteren of te ondervangen, het adviseren van gehandicapten en hun familieleden, het opbouwen van zelfstandigheid, alsmede bij gelegenheid voorkomende diensten zoals beoordeling en begeleiding.

3.        Alle gehandicapten, onder wie zwaar en/of meervoudig gehandicapten, die revalidatie behoeven, dienen daartoe toegang te hebben.

4.        Gehandicapten en hun familieleden dienen in staat te worden gesteld deel te nemen aan de vormgeving en het opzetten van de revalidatiediensten die hen aangaan.

5.        Alle revalidatiediensten dienen beschikbaar te zijn in de plaatselijke gemeenschap waarin de gehandicapte woont. In sommige gevallen kan het echter noodzakelijk zijn om ter verwezenlijking van een bepaalde opleidingsdoelstelling, waar mogelijk, speciale intramurale revalidatiecursussen van beperkte duur te organiseren.

6.        Gehandicapten en hun familieleden dienen te worden aangemoedigd om zich bezig te houden met revalidatie, bijvoorbeeld als leraar, begeleider of adviseur.

7.        De staten dienen gebruik te maken van de deskundigheid van gehandicaptenorganisaties bij het opstellen of evalueren van revalidatieprogramma's.


Regel 4. Ondersteunende diensten
[Terug naar inhoud]

De staten dienen te zorgen voor de totstandbrenging en verlening van ondersteunende diensten, met inbegrip van hulpmiddelen voor gehandicapten, teneinde hen te helpen hun mate van zelfstandigheid in het dagelijks leven te vergroten en hun rechten uit te oefenen.

1.        De staten dienen te zorgen voor de verstrekking van hulpmiddelen en apparatuur en de verlening van persoonlijke hulp en tolkdiensten, overeenkomstig de behoeften van de gehandicapten, als belangrijke maatregelen om gelijke kansen te bieden.

2.        De staten dienen de ontwikkeling, de produktie, de distributie en het onderhoud van hulpmiddelen en apparatuur, alsook de verspreiding van de kennis op dat gebied, te ondersteunen.

3.        Om dit te verwezenlijken dient gebruik te worden gemaakt van algemeen toegankelijke technische know-how. In staten die beschikken over high-techindustrie, dient deze optimaal te worden benut om de kwaliteit en de doelmatigheid van hulpmiddelen en apparatuur te verbeteren. Het is van belang de ontwikkeling en produktie van eenvoudige en goedkope toestellen te stimuleren, waar mogelijk met gebruikmaking van ter plaatse aanwezig materiaal en ter plaatse aanwezige produktiemiddelen. Gehandicapten zouden zelf bij de produktie van dergelijke toestellen kunnen worden betrokken.

4.        De staten dienen te erkennen dat alle gehandicapten die hulpmiddelen nodig hebben, daarover moeten kunnen beschikken, ook vanuit financieel oogpunt. Dit kan betekenen dat hulpmiddelen en apparatuur kosteloos dienen te worden verstrekt, dan wel tegen een zodanig lage prijs, dat gehandicapten en hun familieleden zich de aanschaf kunnen veroorloven.

5.        In revalidatieprograrnma's voor de verstrekking van hulpmiddelen en apparatuur dienen de staten rekening te houden met de bijzondere behoeften van gehandicapte jongens en meisjes wat betreft ontwerp, levensduur en leeftijdgebondenheid van de hulpmiddelen en apparatuur.

6.        De staten dienen het ontwikkelen en verzorgen van programma's voor persoonlijke assistentie en tolkdiensten te steunen, met name voor zwaar en/of meervoudig gehandicapten. Dergelijke programma's zouden de mate van deelneming van gehandicapten aan dagelijkse bezigheden thuis, op het werk, op school en bij de vrijetijdsbesteding kunnen vergroten.

7.        Programma's voor persoonlijke assistentie dienen zodanig te worden opgezet dat de gehandicapten die daarvan gebruik maken, een beslissende invloed hebben op de wijze waarop de programma's worden uitgevoerd.





II. SPEERPUNTEN VOOR GELIJKWAARDIGE DEELNEMING



Regel 5. Toegankelijkheid
[Terug naar inhoud]

De staten dienen te erkennen dat bij het bieden van gelijke kansen op alle deelterreinen van het maatschappelijk leven toegankelijkheid van het allerhoogste belang is. De staten dienen ten behoeve van alle gehandicapten a) actieprogramma's op touw te zetten om de leefomgeving toegankelijk te maken, en b) maatregelen te nemen om toegang te geven tot informatie en communicatie.

a)        Toegankelijkheid van de leefomgeving

1.        De staten dienen maatregelen te nemen om barriŤres voor deelneming in de leefomgeving weg te nemen. Dergelijke maatregelen behelzen het opstellen van normen en richtlijnen en het in overweging nemen van wetgeving om te zorgen voor toegankelijkheid van het leven in de maatschappij, zoals woningen, gebouwen, openbaar vervoer en andere vervoermiddelen, straten en andere openbare gebieden.

2.        De staten dienen ervoor te zorgen dat architecten, bouwkundigen en anderen die beroepshalve zijn betrokken bij het ontwerp en de bouw van de leefomgeving toegang hebben tot toereikende informatie over het gehandicaptenbeleid en maatregelen om toegankelijkheid te garanderen.

3.        Toegankelijkheidseisen dienen vanaf het beginstadium van de bouwplannen deel uit te maken van het ontwerp en de bouw van de leefomgeving.

4.        Gehandicaptenorganisaties dienen te worden geraadpleegd bij het opstellen van normen en voorschriften betreffende toegankelijkheid. Zij dienen ook ter plaatse in het allervroegste stadium bij bouwplannen te worden betrokken om aldus te kunnen zorgen voor maximale toegankelijkheid.

b)        Toegang tot informatie en communicatie

5.        Gehandicapten en, indien van toepassing, hun familieleden en vertegenwoordigers dienen in elk stadium toegang te hebben tot volledige informatie over diagnose, rechten, beschikbare diensten en programma's. Deze informatie dient in een voor gehandicapten toegankelijke vorm te worden aangeboden.

6.        De staten dienen strategieŽn te ontwikkelen om informatiediensten en documentatie toegankelijk te maken voor mensen met diverse soorten beperkingen. Braille, geluidsbanden, grote-letterdruk en andere geschikte technieken dienen te worden gebruikt om schriftelijke informatie en documentatie toegankelijk te maken voor visueel gehandicapten. Evenzo dienen geschikte technologieŽn te worden toegepast om gesproken informatie toegankelijk te maken voor mensen met gehoorstoomissen met een beperkt begripsvermogen.

7.        Er dient aandacht te worden besteed aan het gebruik van gebarentaal in het onderwijs aan dove kinderen, binnen hun gezin en in hun omgeving. Er dienen ook tolkdiensten voor gebarentaal beschikbaar te zijn om de communicatie tussen doven en anderen te vergemakkelijken.

8.        Tevens dient aandacht te worden besteed aan de behoeften van mensen met andere communicatiestoornissen.

9.        De staten dienen de media, met name radio, televisie en kranten, aan te moedigen om hun diensten toegankelijk te maken.

10.      De staten dienen ervoor te zorgen dat nieuwe geautomatiseerde informatiesystemen en dienstverlenende systemen die beschikbaar zijn voor het publiek, van meet af aan toegankelijk worden gemaakt of kunnen worden gemaakt voor gehandicapten.

11.      Gehandicaptenorganisaties dienen te worden geraadpleegd bij het treffen van maatregelen om informatiediensten toegankelijk te maken.


Regel 6. Onderwiis
[Terug naar inhoud]

De staten dienen het beginsel van gelijke kansen voor gehandicapte kinderen, jongeren en volwassen in het basis-, voortgezet en hoger onderwijs te erkennen, in geÔntegreerde structuren. Zij dienen ervoor te zorgen dat het onderwijs aan gehandicapten een integrerend deel van het onderwijsstelsel vormt.

1.        De algemene onderwijsautoriteiten zijn verantwoordelijk voor het onderwijs aan gehandicapten in geÔntegreerde structuren. Het onderwijs aan gehandicapten dient een integrerend deel te vormen van de nationale onderwijsplanning, leerplanontwikkeling en de organisatie van scholen.

2.        Onderwijs op reguliere scholen veronderstelt de verlening van tolkdiensten en andere daarvoor in aanmerking komende ondersteunende diensten. Er dient te worden gezorgd voor voldoende toegankelijkheid en ondersteunende diensten, bedoeld om te voorzien in de behoeften van mensen met diverse soorten beperkingen.

3.        Oudercommissies en gehandicaptenorganisaties dienen te worden betrokken bij het onderwijs op alle niveaus.

4.        In staten die leerplicht kennen, dient onderwijs te worden gegeven aan jongens en meisjes, ongeacht de aard en de ernst van hun beperkingen.

5.        Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan:
 

(a)        gehandicapte kinderen op jonge leeftijd;

 

(b)        gehandicapte peuters en kleuters;

 

(c)        gehandicapte volwassenen, met name vrouwen.

6.        Om voorzieningen voor gehandicapten te treffen in het reguliere onderwijs dienen de staten:
 

(a)        een helder een vastomlijnd beleid te voeren, dat wordt begrepen en geaccepteerd door scholen en de samenleving;

 

(b)        mogelijkheden te bieden voor flexibele lesprograrnrna's, aanvullingen en aanpassingen;

 

(c)        te zorgen voor goede leermiddelen, na- en bijscholing voor leraren en ondersteunende leerkrachten.

7.        GeÔntegreerd onderwijs en in de gemeenschap uitgevoerde programma's dienen te worden beschouwd als aanvullende benaderingen voor het geven van onderwijs en opleidingen aan gehandicapten. Via nationale in de gemeenschap uitgevoerde programma's dienen gemeenschappen te worden aangemoedigd hun middelen aan te wenden en te ontwikkelen om ter plaatse onderwijs te geven aan gehandicapten.

8.        In gevallen waarin het reguliere onderwijsstelsel nog niet voldoende voorziet in de behoeften van alle gehandicapten, kan speciaal onderwijs worden overwogen. Dit dient erop te zijn gericht leerlingen voor te bereiden op onderwijs op reguliere scholen. De kwaliteit van het speciale onderwijs dient te voldoen aan dezelfde normen en te streven naar dezelfde doelen als het reguliere onderwijs en dient daarmee nauw verbonden te zijn. Gehandicapte leerlingen dienen, op z'n minst, een even groot aandeel uit de onderwijsmiddelen te krijgen als niet-gehandicapte leerlingen. De staten dienen te streven naar geleidelijke integratie van het speciale onderwijs in het reguliere onderwijs. Erkend wordt dat in sommige gevallen het speciale onderwijs momenteel kan worden beschouwd als de meest geschikte vorm van onderwijs voor bepaalde gehandicapte leerlingen.

9.        Gezien de bijzondere communicatiebehoeften van dove en doof-blinde leerlingen, kan het onderwijs voor hen misschien beter worden verzorgd in speciale scholen of speciale klassen en afdelingen van reguliere scholen. In het beginstadium dient met name bijzondere aandacht te worden besteed aan het bijbrengen van cultuurgebonden gedragspatronen om te komen tot effectieve communicatieve vaardigheden en een zo groot mogelijke zelfstandigheid voor doven en doofblinden.


Regel 7. Werkgelegenheid
[Terug naar inhoud]

De staten dienen het beginsel te erkennen dat gehandicapten in staat moeten worden gesteld hun grondrechten uit te oefenen, met name wat werkgelegenheid betreft. Zowel in steden als op het platteland moeten zij gelijke kansen hebben bij het vinden van zinvol en betaald werk op de arbeidsmarkt.

1.        Wetten en voorschriften inzake werkgelegenheid mogen niet discriminerend zijn voor gehandicapten en mogen geen hinderpalen opwerpen bij het zoeken van werk.

2.        De staten dienen de inschakeling van gehandicapten in het arbeidsproces actief te steunen. Deze actieve steun zou kunnen worden geboden door middel van uiteenlopende maatregelen, zoals beroepsopleiding, stimulerende quotaregelingen, gereserveerde of toegewezen arbeidsplaatsen, subsidies of leningen voor kleine ondernemingen, exclusieve contracten of prioritaire produktierechten, fiscale voordelen, convenanten of andere vormen van technische of financiŽle bijstand aan bedrijven die gehandicapten in dienst nemen. De staten dienen werkgevers ook te stimuleren om redelijkerwijs realiseerbare aanpassingen te verrichten om gehandicapten te plaatsen.

3.        De actieprogramrna's van de staten dienen te omvatten:
 

(a)        maatregelen om werkplekken en werkruimten zodanig te ontwerpen en aan te passen dat deze geschikt worden voor mensen met verschillende beperkingen;

 

(b)        steun voor de toepassing van nieuwe technologieŽn en de ontwikkeling en produktie van hulpmiddelen, instrumenten en apparatuur, en maatregelen om de toegang tot deze toestellen en apparatuur te vergemakkelijken, teneinde gehandicapten in staat te stellen werk te vinden en te behouden;

 

(c)        passende opleiding en arbeidsbemiddeling en constante begeleiding in de vonn van bijvoorbeeld persoonlijke assistentie en tolkdiensten.


4.        De staten dienen over te gaan tot het opzetten en ondersteunen van bewustmakingscampagnes, bedoeld om negatieve opvattingen en vooroordelen met betrekking tot gehandicapten weg te nemen.

5.        De staten dienen, in hun hoedanigheid van werkgever, gunstige voorwaarden te scheppen voor de aanstelling van gehandicapten in de overheidssector.

6.        De staten, organisaties van werknemers en werkgevers dienen samen te werken om te zorgen voor een eerlijk wervings- en bevorderingsbeleid, billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke salariŽring, en maatregelen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, ter voorkoming van letsel en stoornissen, alsmede maatregelen voor de revalidatie van werknemers die letsel hebben opgelopen in verband met hun werk.

7.        Het streven dient er altijd op te zijn gericht om voor gehandicapten werk te vinden op de arbeidsmarkt. Voor gehandicapten in wier behoeften niet kan worden voorzien op de arbeidsmarkt, kunnen kleine eenheden voor arbeidsvoorziening in een beschutte werksfeer of onder begeleiding een alternatief zijn. Het is van belang dat de kwaliteit van dergelijke programma's wordt beoordeeld op de relevantie en de mate van toereikendheid daarvan om gehandicapten kansen te bieden op het vinden van werk op de arbeidsmarkt.

8.        Er dienen maatregelen te worden genomen om gehandicapten op te nemen in opleidings en werkgelegenheidsprogramma's in de particuliere en de informele sector.

9.        De staten, organisaties van werknemers en werkgevers dienen met gehandicaptenorganisaties samen te werken met betrekking tot alle maatregelen die zijn gericht op het scheppen van kansen qua opleiding en werk, waaronder flexibele werktijden, deeltijdbanen, duobanen, werk als zelfstandige en persoonlijke assistentie voor gehandicapte werknemers.


Regel 8. Behoud van inkomsten en sociale zekerheid
[Terug naar inhoud]

De staten zijn verantwoordelijk voor het bieden van sociale zekerheid en behoud van inkomsten voor gehandicapten.

1.        De staten dienen te zorgen voor de verlening van voldoende inkomensvervangende steun aan gehandicapten die, vanwege hun beperkingen of met hun beperkingen verband houdende factoren, tijdelijk geen inkomen hebben of met een inkomensvermindering worden geconfronteerd, dan wel geen werk aangeboden krijgen. De staten dienen ervoor te zorgen dat bij de verlening van deze steun rekening wordt gehouden met de kosten die gehandicapten en hun familieleden regelmatig moeten maken in verband met hun beperkingen.

2.        In landen waar stelsels voor sociale zekerheid, sociale verzekering of andere sociale bijstand bestaan of worden opgezet voor de gehele bevolking, dienen de staten ervoor te zorgen dat die stelsels gehandicapten niet discrimineren of uitsluiten.

3.        De staten dienen ook te zorgen voor de verlening van inkomensvervangende steun en het bieden van sociale zekerheid voor personen die de zorg voor een gehandicapte op zich nemen.

4.        Stelsels voor sociale zekerheid dienen stimulansen te omvatten om gehandicapten weer in staat te stellen zelf in hun levensonderhoud te voorzien. Bedoelde systemen dienen te voorzien in of bij te dragen tot het organiseren, ontwikkelen of financieren van beroepsopleidingen. Zij dienen ook bij te dragen aan arbeidsbemiddeling.

5.        Regelingen inzake sociale zekerheid dienen ook stimulansen te omvatten voor gehandicapten om werk te zoeken, opdat zij zelf (weer) in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

6.        De inkomensvervangende steun dient te worden voortgezet zolang de arbeidsongeschikt makende omstandigheden blijven bestaan, zulks op een wijze die de gehandicapte niet ontmoedigt om werk te zoeken. De steun mag slechts worden verminderd of beŽindigd wanneer de gehandicapte voldoende vaste inkomsten heeft.

7.        In landen waar de sociale zekerheid in hoge mate wordt geregeld via de particuliere sector, dienen de staten de plaatselijke gemeenschappen, welzijnsorganisaties en familieleden aan te moedigen om voor gehandicapten zelfhulpmaatregelen te treffen, arbeidsimpulsen te creŽren of met arbeid verband houdende activiteiten te organiseren.


Regel 9. Gezinsleven en lichamelijke integriteit
[Terug naar inhoud]

De staten dienen de volwaardige deelneming van gehandicapten aan een gezinsleven te bevorderen. Zij dienen hun recht op lichamelijk integriteit te bevorderen en ervoor te zorgen dat de wetgeving gehandicapten niet discrimineert wat betreft seksuele relaties, huwelijk en ouderschap.

1.        Gehandicapten moeten in staat worden gesteld om bij hun gezin te wonen. De staten dienen te stimuleren dat in de gezinsbegeleiding speciale modules worden opgenomen die gericht zijn op het hebben van beperkingen en de gevolgen daarvan voor het gezinsleven. Er dienen tijdelijke logeeropvang en hulpdiensten beschikbaar te zijn om gezinnen met een gehandicapt gezinslid te ontlasten. De staten dienen alle onnodige hinderpalen weg te nemen voor personen die een gehandicapt kind of een gehandicapte volwassene willen verzorgen of adopteren.

2.        Gehandicapten mag niet de gelegenheid worden ontzegd hun seksualiteit te ontdekken, seksuele relaties te hebben en het ouderschap te beleven. Gezien het feit dat gehandicapten moeilijkheden kunnen ondervinden bij het vinden van een huwelijkspartner of het stichten van een gezin, dienen de staten het beschikbaar zijn van passende begeleiding te stimuleren. Gehandicapten moeten op dezelfde wijze als anderen toegang hebben tot voorbehoedmiddelen en seksuele voorlichting in toegankelijke vorm.

3.        De staten dienen maatregelen te bevorderen gericht op het veranderen van nog altijd in de samenleving heersende negatieve opvattingen over huwelijk, seksualiteit en ouderschap van gehandicapten, met name gehandicapte vrouwen en meisjes. De media dienen te worden aangemoedigd een belangrijke rol te spelen bij het wegnemen van deze negatieve opvattingen.

4.        Gehandicapten en hun familieleden dienen volledig te worden geÔnformeerd over het treffen van voorzorgsmaatregelen tegen seksueel misbruik en mishandeling. Gehandicapten zijn bijzonder kwetsbaar voor misbruik en mishandeling in de familiekring, in de gemeenschap of in instellingen en hun moet worden geleerd misbruik of mishandeling te voorkomen, te herkennen en te melden.


Regel 10. Cultuur
[Terug naar inhoud]

De staten zullen ervoor zorgen dat gehandicapten op voet van gelijkheid worden betrokken bij en kunnen deelnemen aan culturele activiteiten.

1.        De staten dienen ervoor te zorgen dat gehandicapten de kans krijgen hun creatieve, artistieke en intellectuele vermogens te gebruiken, niet alleen in hun eigen voordeel, maar ook ter verrijking van hun gemeenschap, zowel in de stad als op het platteland. Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn dans, muziek, literatuur, toneel, beeldende kunsten, schilderen en beeldhouwen. Met name in ontwikkelingslanden dient de nadruk te worden gelegd op traditionele en hedendaagse vormen van kunst, zoals poppenspelen, voordrachts- en vertelkunst.

2.        De staten dienen de toegankelijkheid en beschikbaarheid van plaatsen voor culturele uitvoeringen en diensten, zoals theaters, musea, bioscopen en bibliotheken, voor gehandicapten te bevorderen.

3.        De staten dienen de aanzet te geven tot de ontwikkeling en het gebruik van speciale technische voorzieningen om literatuur, films en toneel toegankelijk te maken voor gehandicapten.


Regel 11. Recreatie en sport
[Terug naar inhoud]

De staten zullen maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat gehandicapten gelijke kansen hebben bij recreatie en sport.

1.        De staten dienen de aanzet te geven tot maatregelen om plaatsen voor recreatie en sport, hotels, stranden, stadions, sporthallen, enz. toegankelijk te maken voor gehandicapten. Deze maatregelen dienen mede betrekking te hebben op ondersteuning van personeel in het kader van recreatie- en sportprogramma's, waaronder projecten ter ontwikkeling van methoden voor toegankelijkheid, alsmede programma's voor deelneming, voorlichting en training.

2.        Instanties op het gebied van toerisme, reisbureaus, hotels, vrijwilligersorganisaties en andere instellingen die zich bezighouden met het organiseren van recreatiemogelijkheden en reizen, dienen hun diensten aan te bieden aan iedereen, daarbij rekening houdend met de bijzondere behoeften van gehandicapten. Ter bevordering hiervan dienen passende opleidingen te worden gegeven.

3.        Sportorganisaties dienen te worden aangemoedigd om mogelijkheden te bieden om gehandicapten te laten deelnemen aan sportactiviteiten. In sommige gevallen kan worden volstaan met maatregelen op het gebied van toegankelijkheid. In andere gevallen zijn speciale voorzieningen of speciale spelen nodig. De staten dienen de deelneming van gehandicapten aan nationale en internationale evenementen te steunen.

4.        Gehandicapten die aan sportactiviteiten deelnemen, dienen toegang te hebben tot lessen en trainingen van dezelfde kwaliteit als die van andere deelnemers.

5.        Organisatoren van sport- en recreatie-activiteiten dienen met gehandicaptenorganisaties te overleggen wanneer zij hun diensten toespitsen op gehandicapten.


Regel 12. Godsdienst
[Terug naar inhoud]

De staten zullen maatregelen stimuleren gericht op gelijkwaardige deelneming van gehandicapten aan het godsdienstige leven van hun gemeenschappen.

1.        De staten dienen, in overleg met godsdienstautoriteiten, maatregelen te stimuleren gericht op het uitbannen van discriminatie en het toegankelijk maken van met de godsdienst samenhangende activiteiten voor gehandicapten.

2.        De staten dienen de verspreiding van informatie betreffende gehandicapten onder godsdienstige instellingen en organisaties te stimuleren. De staten dienen tevens de godsdienstautoriteiten aan te moedigen informatie over het gehandicaptenbeleid op te nemen in de opleiding voor geestelijke ambten en in het godsdienstonderwijs.

3.        Zij dienen ook de toegankelijkheid van godsdienstige literatuur te stimuleren voor mensen met een zintuiglijke stoornis.

4.        De staten en/of godsdienstige organisaties dienen met gehandicaptenorganisaties overleg te plegen bij het treffen van maatregelen inzake gelijkwaardige deelneming aan met godsdienst samenhangende activiteiten.




III. UITVOERINGSMAATREGELEN



Regel 13. Informatie en onderzoek
[Terug naar inhoud]

De staten nemen de eindverantwoordelijkheid op zich voor de vergaring en verspreiding van informatie over de levensomstandigheden van gehandicapten en bevorderen uitgebreid onderzoek naar alle aspecten daarvan, waaronder belemmeringen die van invloed zijn op het leven van gehandicapten.

1.        De staten dienen met regelmatige tussenpozen gender-specifieke statistische informatie en andere informatie betreffende de levensomstandigheden van gehandicapten te verzamelen. Het verzamelen van deze gegevens zou kunnen geschieden in samenhang met volkstellingen en onderzoeken naar huishoudens en in nauwe samenwerking met, onder andere, universiteiten, onderzoeksinstituten en gehandicaptenorganisaties. Het verzamelen van de gegevens zou mede betrekking kunnen hebben op kwesties betreffende programma's en diensten en de gebruikmaking daarvan.

2.        De staten dienen de oprichting van een databank voor gehandicapten te overwegen, die statistieken betreffende beschikbare diensten en programma's zou kunnen omvatten alsook gegevens over de diverse categorieŽn gehandicapten. Zij dienen hierbij de noodzaak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit in aanmerking te nemen.

3.        De staten dienen onderzoeksprogramma's op te zetten en te ondersteunen betreffende sociale, economische en met deelneming verband houdende kwesties die van invloed zijn op het leven van gehandicapten en hun familieleden. Dergelijk onderzoek zou mede betrekking moeten hebben op studies naar de oorzaken, typen en frequenties van beperkingen, de beschikbaarheid en doeltreffendheid van bestaande programma's en de noodzaak van het ontwikkelen en evalueren van diensten en ondersteunende maatregelen.

4.        De staten dienen terminologie en criteria te ontwikkelen en goed te keuren voor het verrichten van nationale onderzoeken, zulks in samenwerking met gehandicaptenorganisaties.

5.        De staten dienen de deelneming van gehandicapten aan het verzamelen van gegevens en het verrichten van onderzoeken te vergemakkelijken. Bij het verrichten van dergelijke onderzoeken dienen de staten in het bijzonder de werving van bekwame mensen met beperkingen te stimuleren.

6.        De staten dienen de uitwisseling van onderzoeksresultaten en ervaringen te ondersteunen.

7.        De staten dienen maatregelen te nemen gericht op de verspreiding van informatie en kennis betreffende het gehandicapt-zijn op alle politieke en administratieve niveaus, zulks op nationale, regionale en plaatselijke schaal.


Regel 14. Beleidsvorming en planning
[Terug naar inhoud]

De staten zullen ervoor zorgen dat aspecten van het gehandicapt-zijn worden opgenomen in iedere daarvoor in aanmerking komende beleidsvorming en nationale planning.

1.        De staten dienen over te gaan tot de vorming en planning van een adequaat gehandicaptenbeleid op nationaal niveau en tot het stimuleren en ondersteunen van actie op regionaal en plaatselijk niveau.

2.        De staten dienen gehandicaptenorganisaties te betrekken bij alle besluitvorming inzake plannen en programma's betreffende gehandicapten of hun economische en sociale positie.

3.        De behoeften en problemen van gehandicapten dienen in algemene ontwikkelingsplannen te worden verwerkt en niet afzonderlijk te worden behandeld.

4.        De eindverantwoordelijkheid van de staten voor de situatie van gehandicapten ontslaat anderen niet van hun verantwoordelijkheid. Iedereen in de samenleving die is belast met dienstverlening, activiteiten of informatievoorziening dient te worden aangemoedigd de verantwoordelijkheid op zich te nemen om die programma's ter beschikking te stellen van gehandicapten.

5.        De staten dienen de formulering van programma's en maatregelen voor gehandicapten door plaatselijke gemeenschappen te vergemakkelijken. Een manier om dit te doen is bijvoorbeeld het samenstellen van handleidingen of checklists en het verzorgen van opleidingsprogramma's voor plaatselijk personeel.


Regel 15. Wetgeving
[Terug naar inhoud]

De staten hebben een verantwoordelijkheid wat betreft het scheppen van de juridische grondslag voor de maatregelen om de doelstellingen 'volwaardige deelneming' en 'gelijkheid' voor gehandicapten te verwezenlijken.

1.        De nationale wetgeving waarin de rechten en plichten van burgers zijn neergelegd, dient mede betrekking te hebben op de rechten en plichten van gehandicapten. De staten zijn verplicht gehandicapten in staat te stellen hun rechten, waaronder hun mensenrechten, burgerrechten en politieke rechten, uit te oefenen op voet van gelijkheid met andere burgers. De staten dienen ervoor te zorgen dat gehandicaptenorganisaties worden betrokken bij de totstandkoming van nationale wetgeving betreffende de rechten van gehandicapten, alsmede bij de doorlopende evaluatie van die wetgeving.

2.        Er kunnen maatregelen van wetgevende aard noodzakelijk zijn om een einde te maken aan omstandigheden die een nadelige invloed hebben op het leven van gehandicapten, waaronder intimidatie en discriminatie. Bepalingen die discriminerend zijn ten aanzien van gehandicapten moeten worden afgeschaft. De nationale wetgeving dient te voorzien in passende sancties in geval van overtreding van het discriminatieverbod.

3.        De nationale wetgeving met betrekking tot gehandicapten kan in twee vormen worden gegoten. De rechten en plichten kunnen worden verwerkt in algemene wetgeving dan wel worden neergelegd in bijzondere wetten. Bijzondere wetgeving betreffende gehandicapten kan op verschillende manieren tot stand worden gebracht:
 

(a)        door afzonderlijke wetten uit te vaardigen, die uitsluitend betrekking hebben op gehandicapten;

 

(b)        door kwesties inzake gehandicapten te regelen in wetgeving betreffende specifieke onderwerpen;

 

(c)        door gehandicapten uitdrukkelijk te noemen in teksten waarin bestaande wetgeving nader wordt uitgewerkt.


Een combinatie van deze verschillende benaderingen kan wenselijk zijn. Ook positieve actie kan worden overwogen.

4.        De staten kunnen de instelling van een officieel wettelijk beklagmechanisme overwegen om de belangen van gehandicapten te beschermen.


Regel 16. Economisch beleid
[Terug naar inhoud]

De staten dragen de financiŽle verantwoordelijkheid voor nationale programma's en maatregelen om gehandicapten gelijke kansen te bieden.

1.        De staten dienen kwesties aangaande gehandicapten op te nemen in de gewone begrotingen van alle nationale, regionale en plaatselijke overheidslichamen.

2.        De staten, niet-gouvernementele organisaties en andere belanghebbende instanties dienen op elkaar in te spelen teneinde de meest doeltreffende wijzen vast te stellen om steun te bieden aan projecten en maatregelen die van belang zijn voor gehandicapten.

3.        De staten dienen de gebruikmaking van economische maatregelen (leningen, fiscale voordelen, hiertoe gereserveerde subsidies, speciale fondsen, enz.) te overwegen om de gelijkwaardige deelneming van gehandicapten aan het maatschappelijk leven te stimuleren en te steunen.

4.        In veel staten kan het raadzaam zijn een ontwikkelingsfonds voor gehandicapten op te richten, dat zou kunnen bijdragen aan proefprojecten en zelfhulp-programma's aan de basis.


Regel 17. CoŲrdinatie van werkzaamheden
[Terug naar inhoud]

De staten zijn verantwoordelijk voor de instelling en versterking van nationale coŲrdinatiecommissies, of soortgelijke lichamen, die fungeren als landelijk steunpunt voor gehandicaptenzaken.

1.        De nationale coŲrdinatiecommissies of soortgelijke lichamen dienen van permanente aard te zijn, een wettelijke grondslag te hebben en te stoelen op passende administratieve regelgeving.

2.        Een combinatie van vertegenwoordigers van particuliere organisaties en overheidsinstanties biedt de beste garanties voor een diverse sectoren omvattende multidisciplinaire samenstelling. Gedacht kan worden aan vertegenwoordigers van betrokken ministeries, gehandicaptenorganisaties en niet-gouvernementele organisaties.

3.        Gehandicaptenorganisaties dienen een aanmerkelijke invloed te hebben in de nationale coŲrdinatiecommissie teneinde een deugdelijke terugkoppeling te kunnen waarborgen.

4.        De nationale coŲrdinatiecommissie dient te beschikken over voldoende autonomie en middelen om haar taken met betrekking tot de beleidsvorrning te kunnen vervullen. Zij dient aan de overheid te rapporteren op het hoogste niveau.


Regel 18. Gehandicaptenorganisaties
[Terug naar inhoud]

De staten dienen te erkennen dat gehandicaptenorganisaties het recht hebben gehandicapten te vertegenwoordigen op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau. De staten dienen tevens te erkennen dat gehandicaptenorganisaties een adviserende rol hebben in de besluitvorming met betrekking tot gehandicapten.

1.        De staten dienen de vorming en versterking van organisaties van gehandicapten en hun familieleden en/of belangenorganisaties aan te moedigen en financieel of anderszins te steunen. De staten dienen te erkennen dat deze organisaties een belangrijke rol kunnen vervullen bij de ontwikkeling van het gehandicaptenbeleid.

2.        De staten dienen een doorlopend contact tot stand te brengen met gehandicaptenorganisaties en zorg te dragen voor hun deelneming aan de ontwikkeling van het overheidsbeleid.

3.        De rol van gehandicaptenorganisaties zou kunnen bestaan in het inventariseren van behoeften en prioriteiten, het deelnemen aan de planning, uitvoering en evaluatie van diensten en maatregelen betreffende de levensomstandigheden van gehandicapten en het leveren van een bijdrage aan de bewustmaking en het bepleiten van verandering.

4.        Als zelfhulp-organisaties bieden en bevorderen gehandicaptenorganisaties kansen voor het ontwikkelen van vaardigheden op diverse terreinen, onderlinge hulp en uitwisseling van informatie.

5.        Gehandicaptenorganisaties zouden hun adviserende rol op zeer uiteenlopende wijzen kunnen vervullen, zoals via permanente vertegenwoordiging in besturen van door de overheid gefinancierde instanties, het zitting hebben in overheidscommissies en het inbrengen van deskundigheid in diverse projecten.

6.        De adviserende rol van gehandicaptenorganisaties dient van permanente aard te zijn, teneinde de uitwisseling van gedachten en informatie tussen de staat en de organisaties verder te ontwikkelen en te verdiepen.

7.        De organisaties dienen permanent te zijn vertegenwoordigd in de nationale coŲrdinatiecommissie of soortgelijke lichamen.

8.        De rol van plaatselijke gehandicaptenorganisaties dient te worden uitgebreid en versterkt om ervoor te zorgen dat zij de aangelegenheden op gemeenschapsniveau kunnen beÔnvloeden.


Regel 19. Opleiding van personeel
[Terug naar inhoud]

De staten zijn verantwoordelijk voor het garanderen van een passende opleiding van het personeel, op alle niveaus, dat betrokken is bij het plannen en aanbieden van programma's en diensten voor gehandicapten.

1.        De staten dienen ervoor te zorgen dat alle instanties die diensten met betrekking tot gehandicapten aanbieden, hun personeel een passende opleiding geven.

2.        In de opleiding van hen die zich beroepsmatig met gehandicapten bezighouden en bij het geven van informatie over gehandicapten in algemene opleidingsprogramma's, dient het beginsel van gelijkwaardige deelneming en gelijkheid op passende wijze tot uitdrukking te komen.

3.        De staten dienen opleidingsprogramma's te ontwikkelen in overleg met gehandicaptenorganisaties, en gehandicapten dienen als leraren, instructeurs of adviseurs bij opleidingsprogramma's voor het personeel te worden betrokken.

4.        De opleiding van opbouwwerkers is van groot strategisch belang, met name in ontwikkelingslanden. Gehandicapten dienen hierbij te worden betrokken; de opleiding dient betrekking te hebben op het ontwikkelen van passende waarden, deskundigheid en technologieŽn, alsook vaardigheden die kunnen worden gehanteerd door gehandicapten, hun familieleden en de leden van de gemeenschap.


Regel 20. Nationaal toezicht op en evaluatie van programma's voor gehandicapten in het kader van de uitvoering van de standaardregels
[Terug naar inhoud]


De staten zijn verantwoordelijk voor constant toezicht op en evaluatie van de uitvoering van de nationale programma's en diensten betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten.

1.        De staten dienen de nationale programma' s voor gehandicapten periodiek en stelselmatig te evalueren en zowel de uitgangspunten als de resultaten van die evaluaties te verspreiden.

2.        De staten dienen terminologie en criteria te ontwikkelen en aan te passen ten behoeve van de evaluatie van programma's en diensten met betrekking tot gehandicapten.

3.        Deze criteria en terminologie dienen in nauwe samenwerking met gehandicaptenorganisaties te worden ontwikkeld vanaf de eerste stadia van de formulering en planning.

4.        De staten dienen deel te nemen aan internationale samenwerking met het oog op het ontwikkelen van gemeenschappelijke normen voor de nationale evaluatie met betrekking tot gehandicapten. De staten dienen de nationale coŲrdinatiecornrnissies aan te moedigen ook daaraan deel te nemen.

5.        De evaluatie van de diverse programma's met betrekking tot gehandicapten dient reeds in de planningsfase te zijn ingebouwd, zodat over de gehele linie kan worden beoordeeld in hoeverre deze doelmatig zijn voor de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen.



Regel 21. Technische en economische samenwerking
[Terug naar inhoud]

De staten, zowel geÔndustrialiseerde landen als ontwikkelingslanden, hebben de plicht om samen te werken en maatregelen te nemen ter verbetering van de levensomstandigheden van gehandicapten in ontwikkelingslanden.

1.        Maatregelen gericht op het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten, onder wie gehandicapte vluchtelingen, dienen te worden geÔntegreerd in algemene ontwikkelingsprogramma's.

2.        Dergelijke maatregelen moeten worden geÔntegreerd in alle vormen van technische en economische samenwerking, zowel bilateraal en multilateraal, als gouvernementeel en niet-gouvernementeel. De staten dienen de gehandicaptenproblematiek aan te orde te stellen in besprekingen over samenwerking met hun partners.

3.        Bij de planning en toetsing van programma's voor technische en economische samenwerking dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de effecten van die programma's op de situatie van gehandicapten. Het is uiterst belangrijk dat gehandicapten en hun organisaties worden geraadpleegd over ontwikkelingsprojecten die zijn bedoeld voor gehandicapten. Zij dienen rechtstreeks te worden betrokken bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van dergelijke projecten.

4.        Bij technische en economische samenwerking dient o.a. prioriteit te worden gegeven aan:
 

(a)        het ontwikkelen van de arbeidsgeschiktheid door middel van het ontwikkelen van de vaardigheden, capaciteiten en mogelijkheden van gehandicapten en het ontplooien van werkgelegenheid scheppende activiteiten van en voor gehandicapten;

 

(b)        het ontwikkelen en verspreiden van daarvoor in aanmerking komende met gehandicapt-zijn verband houdende technologieŽn en know-how.


5.        De staten worden tevens aangemoedigd de oprichting en versterking van gehandicaptenorganisaties te steunen.

6.        De staten dienen maatregelen te nemen ter verbetering van de kennis van de gehandicaptenproblematiek onder het personeel dat, ongeacht het niveau, betrokken is bij de uitvoering van programma's voor technische en economische samenwerking.

Regel 22. Internationale samenwerking
[Terug naar inhoud]

De staten zullen actief deelnemen aan de internationale samenwerking betreffende het beleid inzake het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten.

1.        Binnen de Verenigde Naties, de gespecialiseerde organisaties en andere betrokken intergouvernementele organisaties dienen de staten deel te nemen aan de ontwikkeling van het gehandicaptenbeleid.

2.        In alle daarvoor in aanmerking komende gevallen dienen de staten de aspecten van het gehandicapt-zijn aan de orde te stellen in onderhandelingen over normen, informatie-uitwisseling, ontwikkelingsprogramma's, enz.

3.        De staten dienen de uitwisseling van kennis en ervaring aan te moedigen:
 

(a)        tussen niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de gehandicapten;

 

(b)        tussen onderzoeksinstellingen en individuele onderzoekers die zich met gehandicaptenvraagstukken bezighouden;

 

(c)        tussen vertegenwoordigers van speciale programma's en beroepsgroepen die met gehandicapten werken;

 

(d)        tussen gehandicaptenorganisaties;

 

(e)        tussen nationale coŲrdinatiecommissies.


4.        De staten dienen ervoor te zorgen dat de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties, alsmede intergouvernementele en interparlementaire organisaties op mondiaal en regionaal niveau de mondiale en regionale gehandicaptenorganisaties bij hun werkzaamheden betrekken.




IV. TOETSINGSMECHANISME

[Terug naar inhoud]

1.        Het toetsingsmechanisme heeft tot doel een effectieve uitvoering van de standaardregels te bevorderen. Het zal elke staat helpen de mate van uitvoering van de standaardregels in eigen land te beoordelen en de gemaakte vorderingen te meten. Via het toetsingsmechanisme dienen eventuele barriŤres te worden opgespoord en kunnen passende maatregelen worden voorgesteld die zouden kunnen bijdragen tot een geslaagde uitvoering van de standaardregels. Het toetsingsmechanisme onderkent de economische, sociale en culturele kenmerken van de afzonderlijke staten. Een ander belangrijk element is het geven van advies en de uitwisseling van ervaring en informatie tussen de staten.

2.        De standaard regels worden getoetst in het kader van de zittingen van de Commissie voor Sociale Ontwikkeling. Er zal een bijzondere rapporteur worden benoemd die uitgebreide ervaring met gehandicaptenvraagstukken en internationale organisaties heeft, indien nodig betaald uit middelen buiten de gewone begroting, die gedurende een periode van drie jaar de uitvoering van de standaardregels toetst.

3.        Internationale gehandicaptenorganisaties die de status van adviseur hebben bij de Economische en Sociale Raad en organisaties die gehandicapten vertegenwoordigen die nog geen eigen organisatie hebben opgericht, dienen te worden uitgenodigd om uit eigen kring een college van deskundigen in het leven te roepen, waarin gehandicaptenorganisaties een meerderheid dienen te krijgen - rekening houdend met de verschillende soorten beperkingen en de noodzaak van een eerlijke geografische spreiding - dat zal worden geraadpleegd door de bijzondere rapporteur en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, door het Secretariaat.

4.        Het college van deskundigen zal door de bijzondere rapporteur worden aangemoedigd om de bevordering, uitvoering en toetsing van de standaardregels te bezien, alsmede ter zake advies uit te brengen en zorg te dragen voor terugkoppeling en suggesties.

5.        De bijzondere rapporteur zal vragenlijsten doen toekomen aan de staten, organisaties binnen het stelsel van de Verenigde Naties, alsmede aan intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, waaronder gehandicaptenorganisaties. De vragen dienen betrekking te hebben op de plannen ter uitvoering van de standaardregels in de staten. De vragen dienen selectief te zijn en zich toe te spitsen op een aantal specifieke regels met het oog op een diepgaande evaluatie. Bij het opstellen van de vragen dient de bijzondere rapporteur overleg te plegen met het college van deskundigen en het Secretariaat.

6.        De bijzondere rapporteur zal trachten een rechtstreekse dialoog tot stand te brengen, niet alleen met de staten, maar ook met plaatselijke particuliere organisaties, en hun verzoeken hun oordeel en opmerkingen kenbaar te maken met betrekking tot de in de rapporten te verwerken informatie. De bijzondere rapporteur dient advies te geven over de uitvoering en toetsing van de standaardregels en hulp te bieden bij het opstellen van de antwoorden op de vragenlijsten.

7.        De Afdeling beleidscoŲrdinatie & duurzame ontwikkeling van het Secretariaat, als VN-steunpunt voor gehandicaptenvraagstukken, het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en andere organisaties en instellingen binnen het stelsel van de Verenigde Naties, zoals regionale commissies en gespecialiseerde organisaties en gemeenschappelijke vergaderingen van diverse organisaties, dienen met de bijzondere rapporteur samen te werken bij de uitvoering en toetsing van de standaardregels op nationaal niveau.

8.        De bijzondere rapporteur zal met hulp van het Secretariaat rapporten opstellen die worden voorgelegd aan de Commissie voor Sociale Ontwikkeling tijdens haar 34e en 35e zitting. Bij het opstellen van deze rapporten dient de rapporteur overleg te plegen met het college van deskundigen.

9.        De staten dienen de nationale coŲrdinatiecommissies of soortgelijke lichamen aan te moedigen deel te nemen aan de uitvoering en toetsing. Als landelijke steunpunten voor gehandicaptenzaken dienen zij te worden aangemoedigd procedures vast te stellen voor de coŲrdinatie van de toetsing van de standaardregels. Gehandicaptenorganisaties dienen te worden aangemoedigd om op alle niveaus actief bij de toetsing te worden betrokken.

10.       Mochten er middelen buiten de gewone begroting voorhanden blijken te zijn, dan dienen ťťn of meer functies van 'interregionaal adviseur inzake de standaardregels' te worden gecreŽerd om de staten rechtstreeks diensten te verlenen, waaronder:
 

(a)        het organiseren van nationale en regionale training-seminars over de inhoud van de standaardregels;

 

(b)        het opstellen van richtlijnen ter ondersteuning van de strategieŽn voor de uitvoering van de standaardregels;

 

(c)        het verspreiden van informatie over de beste handelwijzen voor de uitvoering van de standaardregels.


11.       De Commissie voor Sociale Ontwikkeling dient op haar 34e zitting een werkgroep zonder vastomlijnde taakstelling in te stellen die het rapport van de bijzondere rapporteur moet bestuderen en aanbevelingen moet doen ter verbetering van de toepassing van de standaardregels. Bij de bestudering van het rapport van de bijzondere rapporteur dient de Commissie, via bedoelde werkgroep, overleg te plegen met internationale organisaties van gehandicapten en gespecialiseerde organisaties, overeenkomstig de regels 71 en 76 van het reglement van orde van de taakgroepen van de Economische en Sociale Raad.

12.       Op haar eerstvolgende zitting na afloop van het mandaat van de bijzondere rapporteur dient de Commissie na te gaan of het mogelijk is zijn mandaat te verlengen, een andere bijzondere rapporteur aan te wijzen dan wel een ander toetsingsmechanisme in overweging te nemen, en dient zij ter zake aanbevelingen te doen aan de Economische en Sociale Raad.

13.       De staten dienen te worden aangemoedigd bij te dragen aan het VN-Vrijwillig Fonds voor Gehandicapten teneinde de uitvoering van de standaard regels te bevorderen.


*Revalidatie is een basisbegrip in het gehandicaptenbeleid en is omschreven in paragraaf 23 van de inleiding.      [Terug naar *]
1 Official Records of the Economic and Social Council, 1991, Supplement No. 6 (E/1991/26), chap. J, sect. D.      [Terug naar 1]
2 E/CN.5/1993/5.      [Terug naar 2]
3 Official Records of the Economic and Social Council, 1993, Supplement No. 4 (E/1993/24), chap. III, sect. E.      [Terug naar 3]
4 Sect. IV, par. 2, van de bijlage bij deze resolutie.      [Terug naar 4]
5 A/37/351/Add.1 en Corr.1, bijlage, sect. VIII, aanbeveling 1 (IV).      [Terug naar 5]
6 Afgekondigd door de Algemene Vergadering in resolutie 37/53.      [Terug naar 6]
7 Resolutie 217 A (III).      [Terug naar 7]      [Terug naar Preambule]
8 Resolutie 2200 A (XXI).      [Terug naar 8]      [Terug naar Preambule]
9 Resolutie 44/75.      [Terug naar 9]      [Terug naar Preambule]
10 Resolutie 34/180.      [Terug naar 10]
11 Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps: A manual of classification relating to the consequences of disease (GenŤve, 1980).      [Terug naar 11]
12 Resolutie 45/158.      [Terug naar 12]
13 Resolutie 3447 (XXX).      [Terug naar 13]
14 Resolutie 2856 (XXVI).      [Terug naar 14]
15 Resolutie 2542 (XXIV).      [Terug naar 15]
16 Resolutie 46/119.      [Terug naar 16]
17 Eindrapport van de Wereldconferentie over onderwijs voor iedereen, Meeting Basic Leaming Needs, Jomtien, Thailand 5-9 maart 1990, Inter-Agency Commission (UNDP, UNESCO, UNICEF, Wereldbank) voor de Wereldconferentie over onderwijs voor iedereen, New York, 1990, aanhangsel 1.      [Terug naar 17]

Omgewerkt tot html door N.Valstar
Stichting Platform Gehandicaptenbeleid Lisse
maart 2001